Twee keer per dag
ontmoeten wij elkaar.
Elke keer als ik bij je kom.
In de vroege morgen bij
het krieke van de dag.
Of in de vroege avond.
Kom je me altijd blijmoedig
tegenmoet.
Van jou mooie ogen en rode
haar, zoals jij naar me toe
kom lopen.
Menselief, daar kan ik intens
van genieten.
Dan lopen wij samen door
het groene gras.
Schuchter loop je me achterna
als wij de schuur ingaan.
Ik duik dan de hooizolder op
en spring dan weer naar benee.
Spreid het hooi voor je uit op
de grond.
Geef je zelfs een meelkoek.
Ik doe je onderkant.
En duik onder je met mijn kruk.
En met het zacht pompend
geluid van de melkmachine.
Zie ik weer je liters melk gaan.