Verloren staar je voor je uit.
Tot het moment dat ik voor
je stond.
Een flauwe herkenning in je
ogen.
Ik pak je rolstoel beet om
met je te gaan wandelen.
Waar breng je me naar toe
meneer.
Betty en ik gaan samen met
jouw even wandelen.
Je kijk je dochter aan en zegt
tegen haar, dag sandra.
Nee moe, ik ben betty.
Ja dat weet ik toch.
Even later zitten we in de tuin
uitkijkend over de moestuin en
het grasland daarachter.
Ik probeer met je over het
verleden te praten.
Maar het verleden en het heden
zijn ver weg op dat moment.
Met een vertwijfeld gebaar leg
betty haar hoofd op de leuning
van je rolstoel neer.
Zachtjes en met een vertederende
blik in je ogen.
Zie ik hoe, je liefdevol door haar
haren strijkt.
Met een brok in mijn keel kijk ik
naar dit tafereel.
Beseffend dat jij op een of andere
manier het vergeten van jouw
verleden en het heden heb
geaccepteerd.
Hoe moeilijk het ook voor ons is.
We zullen het moeten accepteren
dat wij het contact met jou verder
zullen verliezen.
Maar de fijne herinneringen uit
het verleden die wij samen met
onze moeder hebben gedeeld.
Zullen we nooit verliezen.