Langzaam onder een waterige
zonnetje schuifelde we over
het pad voort.
Kijk ons nou, zei beer tegen je.
Vroeger nam je ons bij de hand.
En nu nemen we jou bij de hand
mee.
Zijdelings keek ik naar je gezicht.
Uitdrukkingsloos keek jij voor
je uit.
Tijd en plaats waar je was drong
totaal niet tot je door.
Voor de steen las je tot twee keer
toe zijn naam voor.
Toen pas zag je zijn foto.
Kijk zei je tegen ons, dat is de foto
van pa.
Hier kom ik ook bij.
Toen we weer weg liepen rolde
een traan over je gezicht.
ik veegde hem met een brok in
mijn keel teder bij je weg.
En met een glimlach zei je tegen
mij, waar gaan we eigenlijk naar
toe.
Met een traan in mijn ogen
fluisterde ik.
Naar huis moe.
15-01-07.